Blind paard
In januari is er traditiegetrouw een verhaaltje over de Bossche Honderd, de klassieker die ook dit jaar binnen vier dagen vol zat. Omdat ik initieel gepland had op oefening te gaan in Albacete, kon ik alleen als medewerker toch zoveel mogelijk kilometers lopen rond Den Bosch. En dat kwam de organisatie goed uit, omdat zich op het laatste moment een aantal vrijwilligers af meldden.
Maar voor ik mijn stoere verhaal begin, wil ik eerst een kleine rectificatie kwijt. In de vorige WandelSportBode vertelde ik over mijn reisje naar San Francisco, getiteld: ‘Deer in the headlamp’. Dat was natuurlijk een magere poging tot een gevatte woordspeling op het hertje in de koplampen van mijn huurauto die ochtend. Door de redactie of een spellingschecker is dit ‘Dear in the headlamp’ geworden. En met een deer (hert) in je koplampen heb je avondeten, met een dear (het koosnaampje voor je geliefde) in je koplampen heb je een probleem. Dan spoor je zelf niet.
Dan Den Bosch: ’s ochtends (vrijdag 22 januari) had ik de A4 al in ’s-Gravenmoer geparkeerd en was ik door Joop Reichenfeld en Boetje naar Dongen gebracht. Van daaruit pijlde ik via Oosterhout en Raamsdonkveer een traject van 16 kilometer. Dat was met een uurtje of drie gebeurd, met name omdat ik regelmatig een foto maakte. Dit traject werd ’s nachts gelopen, dus mooie plaatjes moest ik overdag schieten. En met de mooie boerderijen bij Oosterhout en de prachtige dijken tussen Raamsdonk en ’s-Gravenmoer (die we ook tijdens de 100 + 80 Jubileumtocht in 2008 liepen) viel er genoeg te fotograferen.
Na het uitpijlen ging ik in Drunen bij mijn ouders douchen en eten (en even bijkomen). Tegen negen uur die avond reed ik naar Den Bosch om me te melden. Ik trof er Rudy de Roovere met wie ik de eerste 29 kilometer de pijlen zou gaan afhalen. Boetje klom eerst even op de vrachtwagen voor een mooie speech, maar bleek geen groenwitte megafoon te bezitten. Daarom moest een pylon het ontgelden. Bij de toon uit de misthoorn van Onne kon iedereen om 22.00 uur vertrekken, met Rudy en ik in hun kielzog.
Via het nieuwe ziekenhuis van Den Bosch verlieten we de stad richting het kanaal en de Vughtse bossen. Bij de bosrand wezen drie pijlen ons rechtsaf het duistere woud in en al vlot liepen we diep in het bos. Maar daar klonk plots een bekende stem. Ludo Schaerlaeckens kwam ons op een drafje achterna. Iedereen bleek aan de bosrand linksaf terug naar Den Bosch te zijn gelopen (geen oog voor de drie pijlen bij de afslag) en dus waren Rudy en ik voor de groep uit alle pijlen weg aan het halen. Staand langs het bospad zagen we het hele deelnemersveld aan ons voorbij trekken, voor we verder de pijlen af konden halen.
Dat bleek nog niet mee te vallen. Diverse deelnemers hadden het al binnen 29 kilometer erg moeilijk met het relatief eenvoudige parcours via Cromvoirt, Biezenmortel en Udenhout naar Tilburg. Bovendien presteerde een hele groep deelnemers het om na acht kilometer wederom verkeerd te lopen langs het Afwateringskanaal in Cromvoirt (ondanks alweer drie pijlen bij de afslag). Ditmaal zagen Rudy en ik het gebeuren, maar het duurde lang voor we achter de meute aan verder konden. Na vijf uur en veertig minuten waren de laatste lopers pas op de hoofdrust (29 kilometer) in Tilburg.
Ook die hoofdrust bleek voor spanning te hebben gezorgd. Het café waar we ooit een uitstekend buffet genoten tijdens Vaals-Rotterdam (Peerke Donders) was nu, tot grote verbazing van de voorlopers, doodstil en gesloten. Daar sta je dan als organisatie: heb je mooi al die afspraken voor niets gemaakt. Godzijdank was er honderd meter verder een cafeetje waar we wel welkom waren (en dat om half drie ’s nachts). Boetje en Joop hadden hun vuurdoop als nieuwe organisatoren van de Bossche Honderd goed doorstaan.
De volgende trajecten verliepen gelukkig voorspoedig. Via Dongen, Oosterhout, Raamsdonkveer en ’s-Gravenmoer was iedereen rap achter de Efteling en Kaatsheuvel. Dit traject bevatte namelijk wat meer wegen en minder mogelijkheden om verkeerd te lopen. Omdat ik en Rudy hier niet langer pijlen hoefden te verwijderen, liepen we in de meute in plaats van erachter. Dat is gezelliger, al hadden we met z’n tweeën ook genoeg te bepraten. En na die snelle (en uitstekend uitgepijlde) trajecten kwamen we na zo’n 75 kilometer aan bij Nationaal Park de Loonse en Drunense Duinen.
Aan de bosrand bracht iedereen even wat paardjes aan het schrikken: die waren niet zoveel jolig volk gewend. Via de heuvelrug achter Bos en Duin bij Loon op Zand liepen we richting Udenhout om vervolgens linksaf de grote stuifzandvlakte op te lopen. Op ingenieuze wijze wist de organisatie ons de ene heuvel na de andere op te sturen. Mensen die vol enthousiasme (lees: als een blind paard) de eerste helling op stormden, begonnen zich na de vierde beklimming toch af te vragen hoeveel er zouden volgen. Het sparen van de krachten loonde op langere termijn.
Bij café de Rustende Jager in Udenhout deden we (ik liep inmiddels met Ties) ons na 81 kilometer tegoed aan de traditionele perenvlaai en de aanmoedigingen van Frans Staal en Ad Leermakers. Vervolgens hield men ons, heel knap, tot aan Duinoord midden in het bos. En dat betekende natuurlijk klimmetjes en een enkel zandpaadje.
Nabij Cromvoirt stonden Carla en Mia vlaflippen klaar te maken, zodat we welgevoed het stuifzandheuveltje achter Cromvoirt over konden richting Vught. Langs de Molukse wijk, de Extra Beveiligde Inrichting en de Lunetten in Vught bereikten we de verzorging op 93 kilometer (bij de brug waar iedereen gisteravond al na 3 kilometer per abuis was beland).
Velen kozen voor honderd kilometer en liepen door naar Den Bosch, de rest opteerde voor een extra lusje langs Den Heuvel in Vught, om de IJzeren Man heen en weer langs de Lunetten. Na 103 kilometer waren we bij dezelfde post terug en aangezien het inmiddels af en toe hagelde, wilden we graag het laatste stukje achter de rug hebben. Tot mijn plezier volgde een zeer originele route terug Den Bosch in, via de Isabellakazerne, het Heetmanplein en de hogescholen.
In Den Bosch stonden de Bossche bollen al voor ons klaar. Geen Jan de Groot, maar de kwaliteit bleek niet slecht. Een mooi diploma rondde deze prachtige editie af en omdat mijn vader en moeder druk waren in de organisatie, zette ik snel koers terug naar Dordrecht. De zondag na de zestien plus honderdennegen kilometer zette het barre winterweer (voor de verandering) in en besloot ik niet bij de L.A.T. te gaan lopen. Alleen de reis naar Amsterdam al hield een stevig risico in en afgelasting hing in de lucht.
Ik was er niet direct rouwig om. Ik was door het deels uitpijlen, deels pijlen afhalen en lopen van de Bossche Honderd aardig vermoeid. Bovendien bleek het nadeel van het nieuwe systeem (een grote ronde van tien kilometer in plaats van drie rondjes van drie kilometer, en dat pas aan het eind van de tocht).
De snellere wandelaars, die altijd heel blij waren met de extra lusjes (kortere rustpauzes), hebben nu weer pauzes van meer dan een uur. Bovendien moeten ze tegen drie uur ’s middags, als langzamere lopers (op de honderd) op huis aan gaan, de extra lus aanvangen. Ik was pas na vijf uur zaterdagavond binnen en hoewel dat deels aan het pijlen ophalen lag (ik vertrok als allerlaatste van de eerste en de tweede hoofdrust), zat het ‘m voornamelijk in de nieuwe indeling.
Het was een prima Bossche Honderd, met veel spannende belevenissen en een enkel momentje afzien. Hij zal niet de boeken in gaan als een zware editie, want de ondergrond was keihard en het weer uitstekend. Goede omstandigheden om door de duinen te gaan draven, iets wat enkelen wel erg letterlijk namen. En de tien extra kilometer mogen van mij terug verdeeld worden over de drie hoofdrusten, dan zie ik tenminste nog iets van de omgeving tegen de tijd dat ik op de finish aan ga.
Frans Leijtens