Mag ’t een beetje zwaarder zijn? door Philip Krul
Deze vraag zouden de organisatoren van de eerste Bossche Honderd, Annie Gijzel en Theo v.d. Wijst, gesteld kunnen hebben. Maar het woord “beetje” dient dan wel vervangen te zijn door “veel”. De deelnemers die ik na afloop sprak, waren allen van mening, dat dit de zwaarste honderd was, die zij ooit gewandeld hebben. En toch waren ze bijna zonder uitzondering zeer te spreken over dit experiment. Het was namelijk een tocht met veel onverharde wegen en paden (ook ’s nachts!).
Enkele maanden geleden hoorde ik, dat Annie en Theo een winternachttocht van 100 km. wilden opzetten in januari 1988. Dat wilde ik mee maken. Veel mensen vonden het idee onuitvoerbaar. Ik wist uit de jaren 1970 t/m 1972, dat het wel kon. Toen wandelde ik met onder andere Jo Boshoff en Henk Venema de winterserienachttochten van deOLAT. De lengte van die tochten varieerde van veertig tot vijftig kilometer. Het waren zware, maar ze waren goed uitvoerbaar voor de getrainde wandelaar. Nog immer haal ik, bij het ontmoeten van medewandelaars uit die jaren, herinneringen op aan tochten met ijzel, sneeuwstormen en wateroverlast. Andere tochten zijn door ons vergeten, doch zulke tochten blijven je bij. Over vele jaren zullen de 34 deelnemers tegen elkaar zeggen: “Weet je nog, dat Huub zei, dat het helemaal niet glad was en prompt bij de volgende pas plat ging en weet je nog, dat het stuifzand van de Loonse en Drunense duinen herschapen was in drijfzand.”
Tot die 34 bevoorrechte mensen behoor ik en zo mogelijk ben ik volgend jaar weer van de partij. Veel beelden uit deze tocht staan in mijn geheugen gegrift. Het pontje van de afgedamde Maas, nadat we een spiegelgladde trap waren afgedaald en met snert waren verwarmd. De steeds wisselende wolkenluchten en de vergezichten ’s nachts, doordat het spaarzame licht door de sneeuw werd weerkaatst. De vele hekjes en smalle paadjes in Nederhemert-Zuid, maar zelfs met tien man vonden we dat ene ijzeren hekje niet. De bovenaardse schoonheid van de Loonse en Drunense duinen bedekt met een sneeuwtapijt (jammer van die autosporen) en drijfzand op onverwachte plaatsen.
’s Nachts was de zaklamp onontbeerlijk op de onverharde wegen. Veel paden waren herschapen in modderstroken gelardeerd met poelen en plassen. Op andere wegen wisselden gladde banen en stroeve stukken elkaar af. ook was het zoeken naar de pijlen soms een onbedoelde puzzel. Eén van de RWVers kon ’s morgens slechts node afscheid nemen van zijn zaklamp, hij had er ’s nachts zo’n innige relatie mee opgebouwd.
Tien wagen- en drie caférusten waren in het parkoers opgenomen. Om de verzorging mogelijk te houden moesten de snellere wandelaars op de eerste twee caférusten wachten tot een vooraf vastgesteld tijdstip. Daar er tussen die café’s op 36 en 64 kilometer langzamer gewandeld werd door alle deelnemers, omdat het parkoers langer en zwaarder was dan voorzien, werd het vertrektijdstip op de 64 km een uur verlaat. Het schema voor de volgende wagenrusten werd eveneens aangepast. De verzorgingsploeg op de 51 km.wist daar vanzelfsprekend nog niets van. De snert was heet op de post bij het pontje, maar er kwam maar geen wandelaar. De verzorgers hadden al visioenen van ronddolende wandelaars en verkookte snert, toen de eersten eindelijk arriveerden. Kennelijk heeft het meetwiel niet op alle stukken foutloos gewerkt of de standen zijn verkeerd afgelezen. Er stond zoveel positiefs tegenover, dat de meeste deelnemers de organisatoren de missers niet euvel duidden.
Voor het volgende jaar zal de mond tot mond reclame z’n werk wel doen. Deze tocht moet blijven, maar de organisatoren dienen duidelijke eisen te stellen aan inschrijvers. Als het parkoers zo zwaar blijft, wat ik hoop, moeten de aspirantdeelnemers opgeven welke drie-cijfertochten ze in het voorgaande jaar wandelden en dat dienen niet alleen Euraudaxtochten te zijn. Wil je dit feest in 1989 mee maken? Begin dan deze week alvast te trainen.